Veilige plek, kluis en hulpbronnen: de voorbereidingsfase bij EMDR

Gepubliceerd 4 oktober 2026 · Bijgewerkt 24 oktober 2026

Voordat een cliënt een traumatische herinnering verwerkt, heeft hij of zij manieren nodig om tot rust te komen en terug te keren naar het heden. Bij EMDR gebeurt dat in fase 2, de voorbereiding. De bekendste hulpmiddelen zijn de veilige plek, de kluis en het ontwikkelen en installeren van hulpbronnen (RDI). Deze handleiding legt ze allemaal uit, met de instellingen voor bilaterale stimulatie die erbij passen en hoe je ze online gebruikt.

Waarom voorbereiding belangrijk is

De verwerking kan tijdelijk sterke emoties en lichamelijke sensaties oproepen. Een cliënt die zichzelf niet tot rust kan brengen, kan overspoeld raken, dissociëren of gaan vermijden, en dan valt het werk stil. De voorbereiding vergroot het tolerantievenster van de cliënt en geeft jullie allebei hulpmiddelen om een onafgemaakte sessie veilig af te sluiten. Bij één recent trauma kan dat in één sessie. Bij complexe of vroegkinderlijke traumatisering kan het veel langer duren.

De oefening met de veilige plek

Het protocol voor de veilige plek (ook wel de rustige plek genoemd) hoort bij de standaard voorbereidingsfase van EMDR. De stappen:

  1. Beeld. Vraag de cliënt naar een plek, echt of verzonnen, waar hij of zij zich rustig of op zijn gemak voelt. De plek hoeft niet helemaal veilig te voelen. Voor sommige cliënten is veiligheid nog niet bereikbaar, en dan is rust genoeg.
  2. Emoties en sensaties. Vraag wat de cliënt ziet, hoort en ruikt, wat hij of zij voelt en waar in het lichaam het prettige gevoel merkbaar is.
  3. Versterken. Help de cliënt de zintuiglijke details naar voren te halen en het prettige gevoel te versterken.
  4. Bilaterale stimulatie. Terwijl de cliënt het beeld en het gevoel vasthoudt, voeg je een korte set langzame bewegingen toe, ongeveer 4 tot 8 keer heen en weer. Vraag wat de cliënt merkt. Herhaal dit een paar keer zolang het gevoel sterker wordt.
  5. Sleutelwoord. Vraag om een woord dat bij de plek past, zoals “strand” of “bos”, en koppel dat aan het beeld tijdens nog een korte, langzame set.
  6. Zelf oproepen. De cliënt roept de plek met het woord op, zonder jouw hulp.
  7. Oproepen bij spanning. De cliënt denkt aan een kleine ergernis, merkt hoe dat voelt en gaat dan met het woord terug naar de veilige plek. Oefen tot het lukt.

Let op: komt er negatief materiaal de veilige plek binnen, stop dan de bilaterale stimulatie. Snelle of lange sets kunnen werk met hulpbronnen omzetten in verwerking. Raakt de plek steeds weer ‘besmet’, kies dan een andere plek of gebruik een andere hulpbron, zoals een geruststellende persoon, een dier of een voorwerp.

De kluisoefening

Met de kluis kan de cliënt belastend materiaal opbergen tot de volgende sessie. De cliënt stelt zich een bergplaats voor die sterk genoeg is voor wat er over is: een kluis, een brandkast, een verzegelde doos. Daarna stelt de cliënt zich voor dat hij of zij de belastende beelden, geluiden, gevoelens en gedachten in de kluis stopt, de kluis afsluit en hem ergens neerzet waar hij niet in de weg staat. Het materiaal is niet weg; het wacht tot jullie er samen aan werken.

De kluis is vooral nuttig in fase 7, de afsluiting, als een doelherinnering (target) nog niet volledig verwerkt is. Oefen hem tijdens de voorbereiding, als er nog niets op het spel staat. Gebruik bij het installeren van de kluis geen bilaterale stimulatie, of alleen korte en langzame sets, zodat je niet gaat verwerken wat erin gaat.

Hulpbronnen ontwikkelen en installeren (RDI)

RDI (Resource Development and Installation) werd beschreven door Deborah Korn en Andrew Leeds (2002) voor de stabilisatiefase in de behandeling van cliënten met complexe PTSS. Het versterkt specifieke eigenschappen die een cliënt nodig heeft, zoals moed, rust of het vermogen om een grens te stellen. De hulpbron kan komen uit:

  • Succeservaringen: een herinnering aan een moment waarop de cliënt die eigenschap liet zien.
  • Relaties: een persoon, echt of verzonnen, die de eigenschap belichaamt, of iemand die de cliënt steunt.
  • Symbolen en metaforen: een beeld, een dier of een voorwerp dat de eigenschap vertegenwoordigt.

De cliënt roept de hulpbron op met zoveel mogelijk zintuiglijke details, en jij voegt korte, langzame sets toe zolang het positieve gevoel groeit. Het oorspronkelijke artikel beschreef twee casussen, dus het bewijs is voorlopig, maar RDI wordt in de praktijk veel gebruikt.

Andere hulpmiddelen voor zelfregulatie

  • Ademhaling: rustig ademen, met een langere uitademing dan inademing.
  • Grounding met de zintuigen: noem 5 dingen die je ziet, 4 die je kunt aanraken, 3 die je hoort, 2 die je ruikt en 1 die je proeft.
  • De vlinderknuffel: afwisselende tikjes op de bovenarmen of sleutelbeenderen, ontwikkeld door Lucina Artigas en Ignacio Jarero. Cliënten kunnen hem tussen de sessies zelf gebruiken.
  • Lichtstroom: de cliënt stelt zich een rustgevend licht voor dat naar het deel van het lichaam stroomt waar spanning zit. Dit wordt vaak gebruikt bij de afsluiting.

Instellingen voor werk met hulpbronnen in Remote EMDR

  • Lage snelheid, korte sets. Laat de bal een paar keer heen en weer gaan en druk dan op stop. Sets voor hulpbronnen zijn veel korter en langzamer dan sets voor verwerking.
  • Rustige achtergronden. In de werkbalk vind je rustige scènes zoals oceaan, bos of nacht. Sommige cliënten kunnen hun veilige plek makkelijker vasthouden met een rustige achtergrond; anderen hebben liever een effen kleur.
  • Zachte geluiden. Gebruik je bilateraal geluid, dan is een zachte toon of een waterdruppel milder dan een piep.
  • Thuis oefenen. Moedig de cliënt aan om tussen de sessies de veilige plek en het sleutelwoord te oefenen, zonder bilaterale stimulatie of met de vlinderknuffel.

Wanneer is een cliënt klaar voor de verwerking?

Er is niet één test, maar bruikbare signalen zijn:

  • de cliënt kan de veilige plek of een andere hulpbron oproepen en merkt een verandering in het lichaam,
  • de cliënt kan de kluis of grounding gebruiken om bij te komen van een gemiddelde mate van spanning,
  • de cliënt begrijpt het stopsignaal en gebruikt het,
  • het leven van de cliënt is stabiel genoeg om op te vangen wat er tussen de sessies kan opkomen.

Is dat nog niet zo, besteed dan meer tijd aan de voorbereiding, of bespreek de casus met je supervisor.

Start een gratis sessie →